Taal Taal

Nederlands [Beta] Nederlands [Beta] English English

Blogs Blogs

Terug

Mijn reis in Hanoi

Det eerste dat Chi deed toen hij wakker werd, was zich omdraaien naar zijn kleine zusje. Voorzichtig legde hij zijn hand op haar voorhoofd. Ze was nog heter dan gisteravond. Zweetdruppeltjes stonden op haar bovenlip en neus. Chi’s maag krulde zich in een knoop. In het andere bed lag zijn vader nog luid te snurken. Zijn moeder was blijkbaar al op. Hij hoorde haar in de keuken aan de buitenkant van het huis. De geur van kruiden kroop tussen de planken door naar binnen. Chi wist dat zijn moeder meer kruidendrankjes maakte, om zijn zusje te genezen. Niets had tot nu toe geholpen.

Geruisloos liet Chi zich van het bed af glijden. Hij was zeven en klein voor zijn leeftijd, zodat de planken op de vloer niet snel kraakten. In die zeven jaar had hij geleerd welke planken wel zachtjes zuchten onder zijn gewicht. Hij was snel en muisstil.

Buiten haalde Chi diep adem. Het was al voorjaar, maar de ochtenden waren nog fris. Hij was blij dat het hem was gelukt om buiten te komen zonder dat zijn moeder het hoorde. Hij kon niet nadenken in het kleine houten huisje, waar iedereen zich zorgen maakte om zijn zusje. Chi haalde nog een keer diep adem en rende de stenen trap af. Onderaan de trap koos hij de weg naar links. Hij rende zo hard hij kon. Steentjes op de weg prikten onder zijn blote voeten, maar dat negeerde hij. Hij negeerde alles in het dorp.

Hij keek niet naar de oude weduwe die al achter haar weefgetouw zat. Hij zag niet dat de buurman en zijn zoon een varken achterop een brommer bonden om hem naar de markt te brengen. Een kip die met haar kuikentjes langs de weg stond keek hem verbaasd na.

Chi rende tot hij het dorp uit was en bij de oever van het meer kwam. Hij klauterde over de stenen, langs de bootjes van de dorpelingen, tot hij uit het zicht verdwenen was. Op een grote, platte steen net boven het water ging hij hijgend zitten. Chi sloeg zijn handen voor zijn ogen. Wat moest hij doen? Ze hadden zijn zusje al naar de dokter in het volgende dorp gebracht. Die had gefronst en zijn hoofd geschud. Mompelend had hij hun moeder nog wat kruiden meegegeven. Het had niets geholpen.

Ze konden zijn zusje naar hotels in Hanoi proberen te brengen. Maar dat was een reis van een dag, op een brommer, over hobbelige wegen. Ze zou er alleen maar zieker van worden. En zijn moeder vreesde, dat als ze stierf zo ver van haar dorp, haar ziel misschien zou verdwalen. Een rilling liep over Chi’s rug bij die gedachte. Hij wist wel dat zijn zusje braaf was geweest, en Chi hoopte dat ze daarvoor beloond zou worden in een volgend leven. Maar in dat leven zou hij haar niet kennen. Hij was nog niet klaar om afscheid te nemen.

Warme tranen welden op in Chi’s ogen. Een snikt ontsnapte uit zijn keel. Was er dan niets dat haar lot kon keren? Chi liet zijn handen in zijn schoot vallen en keek hoe de tranen van zijn wangen in het meer vielen. Ze tekenden kleine rondjes op het gladde oppervlak.

Chi stopte met snikken. Een geluid had hem afgeleid. Hij keek op. Het meer was, zoals gebruikelijk, nog in een dichte mist gehuld. Niemand wist waarom, maar het was bijna altijd mistig rond het meer. Het maakte het water stil en verstopte de bergen aan de overkant.

Zojuist had iets de stilte verbroken. Een kleine verstoring in het water. Een golfje kwam tevoorschijn en klotste tegen de oever. Chi staarde over het oppervlak van het meer. Hij hield zijn adem in. Hij zag iets aan komen drijven. Het kwam steeds dichterbij.

Toen het dichtbij genoeg was, zag Chi dat het niet dreef, maar zwom. Een schildpad zwom langzaam naar de oever. Zijn kop en de bovenkant van zijn schild kwamen net boven het water uit. Chi keek hoe de schildpad bij de oever kwam en moeizaam op een steen klom.

‘Zeg het eens, jongen,’ sprak de schildpad. ‘Wat scheelt er aan?’
Chi keek hem met open mond aan. Hij wist dat schildpadden magische dieren waren, net als draken, eenhoorns en feniksen. Dat schildpadden konden praten zou hem niet moeten verbazen, maar dat er één tegen hém sprak, een eenvoudige visserszoon, dat had hij niet verwacht.

‘Nou, jongen,’ drong de schildpad aan. ‘Ik heb nog een lang leven en alle tijd, maar ik geloof dat jij dringend hulp nodig hebt. Of niet soms?’

‘Ja, meneer,’ stamelde Chi. Hoe moest je een schildpad aanspreken? Hij hoopte dat ‘meneer’ acceptabel was en ging verder: ‘Mijn zusje is ziek.’

‘Aha,’ zei de schildpad langzaam. ‘En wat heb ik daar mee te maken?’

‘Nou, meneer. Schildpadden zijn toch magische dieren? Kunt u niet helpen om haar, eh, te genezen?’

De schildpad lachte, waardoor hij moeizaam begon te kuchen. Chi wachtte geduldig tot de schildpad klaar was met hoesten en antwoord gaf. Een klein vuurtje was zojuist ontvlamt in Chi’s buik. Een vuurtje van hoop. Zou de schildpad hem echt kunnen helpen om zijn zusje te genezen?

‘Je denkt dat ik je zomaar kan helpen?’ vroeg de schildpad uiteindelijk.

‘Niet zomaar, meneer. Ik ben natuurlijk bereid er iets voor terug te doen. U hoeft maar te zeggen wat, meneer, en ik doe het. Alstublieft, helpt u mij om mijn zusje beter te maken.’

De schildpad keek Chi lang aan. Hij leek diep na te denken. De vader van Chi tuitte altijd zijn lippen als hij diep nadacht. Chi bedacht, dat de schildpad dat nu misschien ook deed, maar dat je dat bij schildpadden niet kon zien.

‘Vooruit,’ zei hij. ‘Ik zal je helpen, maar niet zonder dat er iets tegenover staat. Er is namelijk iets dat me al lange tijd dwarszit. Er woont een schildpad in het andere meer. Ik heb diep, heel diep nagedacht, maar ik heb geen manier kunnen bedenken om bij haar te komen. We zijn beide waterschildpadden, zie je, en we overleven niet lang op het land.’

Chi fronste. Er was iets dat hij niet begreep. Hij vroeg: ‘Maar, meneer, als die schildpad in het andere meer woont, hoe weet u dan dat ze er is?’

De schildpad knikte goedkeurend en sprak: ‘Een goede vraag. Je moet weten, jongen, dat de wereld er niet altijd zo heeft uitgezien als nu. Het is lang geleden dat deze bergen en meren werden gevormd. Ooit waren de meren met elkaar verbonden. Tot op een dag de berg het water in gleed, en mijn gezel en mij van elkaar scheidde. We hebben elkaar sindsdien niet meer gezien.’

Chi was er stil van. ‘Zal ik de schildpad uit het andere meer dan hier heen brengen?’ stelde hij voor.

‘Hmmm,’ zei de schildpad langzaam. ‘Ik vrees dat dat niet gaat. Ze moet in haar meer blijven.’

‘Zal ik u dan naar het andere meer brengen?’ vroeg Chi.

‘Nee, nee,’ zei de schildpad snel. ‘Dat zeker niet. Dit is mijn meer.’

Chi dacht koortsachtig na. Als de schildpad graag bij de andere schildpad wilde zijn, maar ze wilden allebei niet naar een ander meer...

‘En als ik nou jullie meren met elkaar verbind?’ dacht Chi hardop. ‘Op de plek waar ze het dichts bij elkaar komen? Misschien kan ik daar...’

‘Wat een goed idee,’ zei de schildpad, terwijl hij zich in het water liet glijden. Chi dacht na hoe hij zijn plan uit ging voeren. Toen hij opkeek, was de schildpad verdwenen. Nog even keek Chi naar het gladde water. Het leek of er geen schildpad was geweest. Behendig klauterde Chi over de stenen terug naar de oever. Het zou veel werk zijn, en zwaar, om de meren te verbinden. Maar als het zijn zusje zou redden, dan zou hij niet rusten voor het helemaal klaar was.

Bron: dulichso.com

Volgende
Reacties